Stel je voor: het is 1965, de Koude Oorlog zit in een van zijn meest gespannen fasen, en in een klein kamertje in Nederland zit een radioamateur achter een enorm toestel vol knoppen en meters. Met een morsezaagtje in de hand en een koptelefoon op zijn oren maakt hij contact met iemand aan de andere kant van de wereld.
▶Inhoudsopgave
Geen internet, geen satelliettelefoon, gewoon een zender, een ontvanger en de ether.
Dit was de realiteit voor duizenden radioamateurs in Nederland in de jaren 60. Maar welke apparaten gebruikten ze precies? Laten we erin duiken.
De grote merken: wat lag er op de plank?
In de jaren 60 was de radioamateurwereld gedomineerd door een handvol fabrikanten die het veld beheersten. De meest voorkomende merken in Nederlandse shackjes waren Drake, Collins, Hallicrafters, National en Hammarlund. Deze Amerikaanse merken waren enorm populair, maar ook Europese fabrikanten als Grundig en Telefunken hadden hun plek.
Voor de meeste radioamateurs was het een kwestie van budget en voorliefde.
De één zwaaide met een professioneel Collins-toestel dat een klein fortuin kostte, terwijl de ander met veel plezier werkte op een zelfgebouw ontvanger van een paar tientjes aan onderdelen.
Zenders: van eenvoudig tot high-end
De Drake 2-NT: de Nederlandse favoriet
Een van de meest gebruikte zenders onder Nederlandse radioamateurs was de Drake 2-NT. Dit toestel was populair vanwege zijn betrouwbaarheid en relatief eenvoudige bediening.
De Hallicrafters HT-37 en HT-32
Het leverde ongeveer 100 watt uitgangsvermogen op de HF-banden, wat meer dan genoeg was om wereldwijd contact te maken. De 2-NT werd vaak gecombineerd met de Drake 2B-ontvanger, waardoor je een compleet Drake-station had. De Hallicrafters HT-37 was een andere veelgebruikte zender.
Dit toestel was een SSB-zender (Single Sideband) en leverde ongeveer 80 watt PEP (Peak Envelope Power).
De Collins 32S-1 en 32S-3
De HT-32 was de opvolger en werd net zo populair. Beide toestellen stonden bekend om hun heldere signaal en robuuste bouw. Voor de radioamateur met een dikke portemonnee was de Collins 32S-1 het toestel om te hebben.
Dit was een topmoderne SSB-zender die 100 watt PEP leverde en uitgerust was met een mechanische filter voor een extreem schoon signaal. De 32S-3 was de verbeterde versie en werd door veel serieuze amateurs gebruikt.
Zelfbouw: de echte hobby
Collins-toestellen waren duur, maar de kwaliteit was ongeëvenaard. Maar laten we het hebben over de radioamateurs die hun zenders zelf bouwden.
Dat was in de jaren 60 nog heel gebruikelijk. Veel amateurs gebruikten schema's uit tijdschriften als Radio Bulletin en Electron om hun eigen zenders te bouwen. Populaire zelfbouwprojecten waren eenvoudige CW-zenders (morse) met een vermogen van 5 tot 20 watt, vaak gebaseerd op één of twee buizen zoals de 6146 of 807. Met zo'n klein toestel en een zelfgebouwde antenne voor maximaal bereik kon je verrassend ver komen.
Ontvangers: het oor van de amateur
De Drake 2B
De Drake 2B was waarschijnlijk de meest gebruikte ontvanger in Nederlandse shackjes. Dit toestel had een uitstekende selectiviteit en was bijzonder goed in het filteren van storing.
De Hammarlund HQ-129X en HQ-170
Het werkte op alle amateurbanden van 80 meter tot 10 meter en had een ingebouwde calibrator voor nauwkeurige frequentie-aflezing. De Hammarlund HQ-129X was een klassieker die al langer in productie was, maar in de jaren 60 nog steeds veel werd gebruikt. De HQ-170 was de modernere opvolger met betere specificaties.
Beide toestellen waren breedband ontvangers die op meerdere banden konden werken en werden gewaardeerd om hun warme, volle ontvangst.
De National NC-300 en NC-303
De National NC-300 was een hoogwaardige ontvanger die populair was bij de meer ervaren amateurs. Hij had een uitstekende gevoeligheid en een ingebouwde productdetector voor het ontvangen van CW-signalen. De NC-303 was de verbeterde versie met nog betere prestaties.
National-toestellen waren bekend om hun stille achtergrondruis, wat het maken van zwakke verbindingen een stuk makkelijker maakte. Net als bij de zenders was Collins ook in de ontvangers de absolute top.
De Collins 75S-1 en 75S-3
De Collins 75S-1 en 75S-3 waren mechanisch gefilterde ontvangers met een ongeëvenaarde selectiviteit.
Deze toestellen kostten evenveel als een goede auto, maar voor de serieuze amateur was het geld waard.
De militaire connectie: radioamateurs en de Koude Oorlog
Interessant detail: veel Nederlandse radioamateurs hadden een directe of indirecte band met de militaire wereld. Tijdens de Koude Oorlog waren radioamateurs onmisbaar voor communicatie in noodsituaties. Sommige amateurs werkten op militaire locaties, zoals de voormalige NATO-basis op Vliegveld Rijswijk-Ypenburg, waar callsigns als PA60CUB werden gebruikt.
Deze verbinding tussen radioamateurs en militaire communicatie was uniek voor die tijd.
Ook militaire overtollige apparatuur vond zijn weg naar de amateurs. Toestellen zoals de Racal en Plessey ontvangers, oorspronkelijk voor militair gebruik ontworpen, werden na demontage omgebouwd voor amateurgebruik. Dit gaf radioamateurs toegang tot apparatuur van zeer hoge kwaliteit voor een fractie van de originele prijs.
De buizen: het hart van elk toestel
We kunnen het hebben over zenders en ontvangers zonder het te hebben over buizen. In de jaren 60 waren alle toestellen nog volledig op buizen gebaseerd.
Transistors begonnen langzaam door te dringen, maar de meeste serieuze amateurs vertrouwden nog op de vertrouwde vacuümbuizen. Populaire typen waren de 12AX7 voor audioversterking, de 6AU6 voor RF-versterking, de 6146 als eindversterker in zenders, en de 6CB6 als mixer. De 807 was een veelgebruikte vermogenbuis die in talloze zelfbouwzenders te vinden was. Deze buizen waren betrouwbaar, verkrijgbaar en relatief goedkoop.
De overgang naar transistors
Aan het eind van de jaren 60 begon de transistor zijn intrede te doen in de radioamateurwereld. Merken als Yaesu (opgericht in 1956) en Kenwood begonnen transistor-zenders en -ontvangers te produceren. De Yaesu FT-101, die eind jaren 60 op de markt kwam, was een van de eerste hybride toestellen: een combinatie van buizen en transistors.
Dit markeerde het begin van een nieuwe era. Toch bleven veel amateurs nog jarenlang trouw aan hun buizentoestels.
De warmte, het geluid, de betrouwbaarheid, en gewoon het gevoel van een buizentoestel, dat was iets wat een transistor niet kon evenaren. Voor veel radioamateurs uit die tijd was de technologische overgang naar transistors eerder een gemiste kans dan een vooruitgang.
Wat maakte de jaren 60 zo bijzonder?
De jaren 60 waren een gouden tijdperk voor de radioamateur. De Koude Oorlog zorgde voor een enorme belangstelling in radio-communicatie, mede door de omschakeling van AM naar SSB.
De technologie was volwassen genoeg om betrouwbaar te zijn, maar nog niet zo geavanceerd dat alles in één chipje paste. Het was een tijd waarin je echt moest begrijpen hoe je toestel werkte, waarin zelfbouw de norm was, en waarin een radioamateur met 100 watt en een draadantenne de hele wereld kon bereiken. De toestellen uit die tijd, Drake, Collins, Hallicrafters, National, Hammarlund, zijn nu verzamelobjecten geworden. Maar voor de radioamateurs die er destijds mee werkten, waren het gewoon hun gereedschap. Gereedschap waarmee ze de wereld kleiner maakten, één contact tegelijk.