Radioamateurs Nederland geschiedenis

Hoe een radioamateur zijn station inrichtte in een woonhuis in de jaren 60

Hendrik-Jan de Vries Hendrik-Jan de Vries
· · 8 min leestijd

Stel je voor: het is 1963, je woont in een gewoon rijtjeshuis in Utrecht of Den Haag, en in de kamer naast de woonkamer staat een kast vol zenders, ontvangers en antennedraad dat door het raam naar de tuin loopt.

Inhoudsopgave
  1. De eerste stappen: vergunning, callsign en een kast vol rommel
  2. De zender: het hart van het station
  3. De ontvanger: scannen door de ether
  4. De antenne: het meest belangrijke onderdeel
  5. De werkplek: een tafel, een microfoon en een logboek
  6. De gemeenschap: QSL-kaarten en clubavonden
  7. Een tijd van pioniers
  8. Veelgestelde vragen

Geen laboratorium, geen militaire bunker — gewoon thuis. Toch maakte je contact met een radioamateur in Argentinië, of misschien zelfs met een Amerikaanse militair op een basis in Duitsland.

Dat was de wereld van de radioamateur in de jaren 60. En het begon allemaal in de huiskamer.

De eerste stappen: vergunning, callsign en een kast vol rommel

Voordat je ook maar één signaal de lucht in kon sturen, moest je een vergunning halen.

In Nederland deed je je aan bij de PTT, de posterijen en telecom-dienst van toen. Je moed een examen af — niet makkie, hoor.

Je moest morsecode kennen (ten minste 12 woorden per minuut op de Hogere Radioamateurvergunning), elektrotechniek begrijpen en wetten kennen over frequentiegebruik. Wie slaagde, kreeg een callsign. Iets als PA0ABC of PA3XYZ. Die letters en cijfers waren je identiteit op de ether.

En dan? Dan begon het echte werk.

Want een vergunning was één ding — een station bouwen, dat was een ander verhaal.

De zender: het hart van het station

De meeste radioamateurs in de jaren 60 bouwden hun eigen zender. Kopen kon, maar dat was duur.

Dus soldeerden ze zelf. Op een stuk hout of in een metalen kastje monteerden ze buizen, condensatoren, weerstanden en spoelen. Populaire zenders waren gebaseerd op klassieke ontwerpen met buizen zoals de 6AQ5 als eindtrap en de 807 voor hogere vermogens.

Met zo'n 807 kon je een vermogen halen van zo'n 50 tot 75 watt — genoeg om de hele wereld te bereiken op de korte golf.

Veel amateurs gebruikten AM (amplitudemodulatie) of later SSB (single sideband). SSB kwam echt door in de jaren 60 en was een gamechanger: minder bandbreedte, meer bereik met minder vermogen. Maar een goede SSB-zender was lastiger te bouwen dan een AM-zender. Dus veel amateurs bleven nog jaren op AM, of kochten een gebruikte Hallicrafters of Collins uit Amerika — als je het kon betalen.

De ontvanger: scannen door de ether

Naast de zender stond een goede ontvanger. Hier had je meer keuze.

Sommige amateurs bouwden een superheterodyne zelf, maar velen kozen voor een fabrieksontvanger. Bekende merken waren Hammarlund, National en Drake. De Drake 2-B was een droom: gevoelig, stabiel en prachtig ontworpen.

Maar ook de Hallicrafters SX-101 was enorm populair onder Nederlandse amateurs die zich verdiepten in de rijke historie van de Nederlandse zendamateur.

De ontvanger was je oor op de wereld. Je draaide langzaam door de banden, luisterde naar morsepieptjes, AM-gesprekken of het scherpe geluid van SSB. En als je iemand hoorde die je aansprak — dan schakelde je over naar zenden en begon het contact.

De antenne: het meest belangrijke onderdeel

Je kon de mooiste zender ter wereld hebben, maar zonder een goede antenne kwam er weinig van.

In een woonhuis was dat een uitdaging. De meeste amateurs gebruikten een dipoolantenne, gespannen tussen de schoorsteen en een mast in de tuin. Voor meerdere banden (bijvoorbeeld 40 meter en 80 meter) gebruikten ze een multi-band dipool of een Windom-antenne. De antenne liep vaak door het raam naar buiten — niet ideaal, maar het werkte.

Soms gebruikten amateurs een groundplane-antenne op het dak, of een Yagi als ze serieus waren op 2 meter VHF. De coaxkabel (meestal RG-8/U of RG-58) liep dan door een klein gaatje in de muur naar binnen, naar de zender.

En dan was er natuurlijk de antennetuner. Zonder een goede matching tussen zender en antenne ging er veel vermogen verloren.

De Johnson Matchbox was een veelgebruikt toestel — simpel, betrouwbaar, en hij deed wat hij moest doen.

De werkplek: een tafel, een microfoon en een logboek

Het station stond meestal op een stevige tafel in een slaapkamer, zolder of in de garage. Daarachter zat de amateur, met een hoofdtelefoon op (want anders kreeg de buurman klachten) en een logboek naast zich.

In dat logboek noteerde je elk contact: datum, tijd, frequentie, callsign van de ander, signaalrapporten (het beroemde RST-systeem: leesbaarheid, sterkte, toon), en eventuele opmerkingen.

Veel amateurs hadden ook een morsekey — handmatig of een zogenaamde bugkey of later een electronische keyer. Morse was nog steeds essentieel, zelfs als je ook sprak.

De gemeenschap: QSL-kaarten en clubavonden

Radioamateurisme was geen eenzame hobby. Je behoorde tot een wereldwijde gemeenschap.

Na een contact stuurde je vaak een QSL-kaart — een bevestiging per post. Die kaarten verzamelde je in een grote map. Sommige amateurs hadden er duizenden.

In Nederland waren er clubs zoals de VERON (Vereniging voor Radio Amateurs) en lokale afdelingen, waar jonge radioamateurs in de jaren 60 hun eerste stappen in de hobby zetten.

Daar kwam je samen, deelde ervaringen, bouwde projecten en organiseerden wedstrijden. De VERON-bulletin was verplichte literatuur.

Een tijd van pioniers

De jaren 60 waren een bijzondere tijd voor radioamateurs. De Koude Oorlog zorgde voor spanning — en voor interesse in communicatie. Militairen op bases (zoals de NATO-basis bij Rijswijk-Ypenburg, waar ook het callsign PA60CUB actief was) gebruikten soms amateurradio voor internationale contacten tijdens hun diensttijd.

Tegelijkertijd groeide de technologie: transistors begonnen buizen te vervangen, en de eerste satellieten (als OSCAR 1 in 1961) openden nieuwe mogelijkheden.

Maar in de kern bleef het hetzelfde: een mens, een zender, een antenne, en de verwondering dat een piepklein signaal uit een woonhuis de hele wereld kon bereiken. Geen internet, geen satfoon — gewoon golfen, kennis en een soldeerbout. En misschien is dat precies waarom radioamateurisme nog steeds leeft.

Veelgestelde vragen

Wat was de amateurradio-hobby in de jaren 60?

In de jaren 60 was de amateurradio-hobby een populaire manier om contact te leggen met mensen over de hele wereld, vaak vanuit de eigen huiskamer. Radioamateurs bouwden zelf hun zenders en ontvangers, vaak met behulp van buizen, en experimenteerden met verschillende modi zoals AM en SSB om signalen over lange afstanden te versturen en te ontvangen.

Hoe kreeg je een vergunning om te radioamateur zijn?

Om te kunnen zenden, moest je eerst een vergunning halen bij de PTT. Dit vereiste het behalen van een examen over morsecode, elektrotechniek en frequentiegebruik. Na succesvol examen kreeg je een callsign, een unieke identificatie op de ether, waarmee je je station kon registeren.

Wat waren de belangrijkste componenten van een radioamateurstation in de jaren 60?

Een typisch station bestond uit een zender, vaak gebouwd met componenten zoals buizen, condensatoren en weerstanden, en een ontvanger.

Welke vermogens hadden de zenders van die tijd en welke modi werden er gebruikt?

Populaire merken voor ontvangers waren Hammarlund, National en Drake, terwijl de Drake 2-B een veelgevraagde, gevoelige en stabiele ontvanger was. De meeste amateurzenders van de jaren 60 hadden een vermogen tussen de 50 en 75 watt, wat voldoende was om signalen over lange afstanden te versturen. Amplitudemodulatie (AM) was gebruikelijk, maar single sideband (SSB) werd steeds populairder vanwege de hogere efficiëntie en betere bereik. Het zelf bouwen van radioapparatuur was tijdrovend en duur. Veel amateurradioamateurs kochten daarom gebruikte apparatuur van merken als Hallicrafters en Collins uit Amerika, als ze het zich konden veroorloven, om toch toegang te krijgen tot geavanceerde technologieën.

Waarom waren sommige radioamateurs afhankelijk van gebruikte apparatuur zoals Hallicrafters of Collins?


Hendrik-Jan de Vries
Hendrik-Jan de Vries
Historicus van de militaire communicatie

Hendrik-Jan onderzoekt de rol van radioamateurs tijdens de Koude Oorlog in Nederland.

Meer over Radioamateurs Nederland geschiedenis

Bekijk alle 17 artikelen in deze categorie.

Naar categorie →