Kortegolf ontvangen geschiedenis

De kortegolfbanden die radioamateurs in de jaren 60 het meest gebruikten: een gids

Hendrik-Jan de Vries Hendrik-Jan de Vries
· · 9 min leestijd

Stel je voor: het is 1965. Je zit achter je buizenapparaat, draait langzaam aan de afstemknop, en opeens hoor je een stem uit Rusland, of misschien zelfs uit Cuba.

Inhoudsopgave
  1. Wat zijn kortegolfbanden eigenlijk?
  2. De 80-meterband: de workhorse van de kortegolf
  3. De 40-meterband: de wereldwijde favoriet
  4. De 20-meterband: de DX-koning
  5. De 15- en 10-meterbanden: de zonnevrienden
  6. Hoe zat het met de uitrusting in de jaren 60?
  7. Waarom waren deze banden zo belangrijk?
  8. Veelgestelde vragen

Geen internet, geen satelliettelevisie — gewoon jouw zender, een stuk draad als antenne, en de magie van de korte golf. In de jaren 60 was radioamateurisme een avond vol avontuur. Maar op welke banden werkte dat allemaal precies? Laten we er eens in duiken.

Wat zijn kortegolfbanden eigenlijk?

Korte golf — of kortegolf, als je de Nederlandse spelling hanteert — is het deel van het radiospectrum tussen ongeveer 2 en 30 MHz. De golflengtes liggen tussen de 10 en 150 meter.

Wat dit bijzonder maakt, is de manier waarop de signalen zich voortplanten. Ze stuiteren tussen de ionosfeer en het aardoppervlak, waardoor je met een bescheiden zender de hele wereld kunt bereiken. In de jaren 60 was dat revolutionair.

Voor veel mensen was kortegolfradio het internet van toen. Radioamateurs, of "hams" zoals ze in het Engels heten, gebruikten specifieke frequentiebanden die door de internationale regelgeving aan hen waren toegewezen.

Niet elke frequentie was vrij te gebruiken — er waren afspraken over wie waar mocht uitzenden. En die afspraken zijn er nog steeds, al zijn de exacte frequenties in de loop der jaren enigszins verschoven.

De 80-meterband: de workhorse van de kortegolf

Laten we beginnen met de band die in de jaren 60 waarschijnlijk het meest gebruikt werd: de 80-meterband, ook wel de 3,5 MHz-band genoemd.

De officiële frequentievariatie voor radioamateurs lag toen — en ligt grotendeels nog steeds — tussen 3,5 en 3,8 MHz. Waarom was deze band zo populair? Simpel: 's nachts bereik je met de 80-meterband heel Europa met relatief weinig vermogen.

De ionosfeer absorbeert overdag een groot deel van de signalen, maar als de zon ondergaat, komt de band tot leven. Voor veel Nederlandse amateurs was dit de band om 's avonds een QSO — een gesprek — te maken met een collega in Duitsland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk.

De beperking? De band is niet groot.

Er past niet zoveel tegelijk, en in drukke periodes moest je goed opletten wie al aan het zenden was. Maar juist dat gebrek maakte het ook gezellig. Je leerde snel wie er allemaal meedraaiden.

De 40-meterband: de wereldwijde favoriet

Als de 80-meterband de lokale held was, dan was de 40-meterband de internationale ster. Met frequenties tussen 7,0 en 7,1 MHz (in die tijd soms tot 7,3 MHz in sommige regio's, afhankelijk van de ITU-regio) was dit de band voor wie verder wilde kijken dan de buurman. De 40-meterband combineerde het beste van twee werelden: overdag bereik je continentale afstanden, 's nachts kun je de hele wereld raken.

In de Koude Oorlog van de jaren 60 was dat bijzonder. Radioamateurs in Nederland hadden gesprekken met amateurs achter het IJzeren Gordijn — niet altijd even makkelijk, en soms met wat creatieve oplossingen voor taalbarrières, maar het gebeurde.

Veel klassieke buizenradio's uit die tijd, zoals de bekende Hallicrafters en Hammarlund ontvangers, hadden de 40-meterband prominent op het schaalbord staan. Ook Nederlandse merken en samenstellingen maakten deze band toegankelijk voor een breed publiek.

De 20-meterband: de DX-koning

Wil je werkelijk ver komen? Dan moest je op de 20-meterband terecht, de 14 MHz-band, met frequenties van 14,0 tot 14,35 MHz.

Dit was — en is nog steeds — de meest populaire band voor zogenaamde DX-contacten: langeafstandsverbindingen over duizenden kilometers.

De 20-meterband heeft een unieke eigenschap: overdag, en zelfs bij relatief lage zonneactiviteit, is deze band meestal "open". Dat betekent dat je er bijna altijd iemand kunt bereiken, waar ter wereld ook. In de jaren 60 gebruikten serieuze amateurs die zich richtten op het verzamelen van contacten met zoveel mogelijk landen — de zogenaamde DXCC-lijst — bijna uitsluitend de 20-meterband.

Tegenwoordig kun je via online WebSDR-netwerken wereldwijd meeluisteren naar dit soort verre signalen. De beperking was dat je hiervoor vaak wat meer vermogen en een betere antenne nodig had dan voor de 80- of 40-meterband. Maar wie de investering deed, werd beloond met contacten op alle continenten.

De 15- en 10-meterbanden: de zonnevrienden

De 15-meterband (21,0–21,45 MHz) en de 10-meterband (28,0–29,7 MHz) waren de capricieuze leden van de familie. Ze werkten uitstekend — maar alleen als de zonneactiviteit hoog genoeg was.

In de jaren 60 waren er periodes van hoge zonnevlekkenactiviteit, met name rond het zonnemaximum van 1958 en opnieuw rond 1969-1970, waarin deze banden spectaculaar openstonden. Op de 10-meterband kon je met slechts een paar watt vermogen de hele wereld bereiken als de zon meewerkte. Maar als de zon het deed, was er simpelweg niets te horen.

Veel amateurs gebruikten deze banden als aanvulling op hun activiteiten op 20 en 40 meter.

Het was een beetje jacht op gunstige omstandigheden.

Hoe zat het met de uitrusting in de jaren 60?

In de jaren 60 draaide alles om buizenapparatuur. Merken als Collins, Drake, en Yaesu — die laatste was net aan het opkomen als Japanse fabrikant — domineerden de markt.

Ontvangers als de Drake 2-B en de Collins 75S-1 waren de droom van elke amateur.

Ze waren niet goedkoop, maar de kwaliteit was ongeëvenaard. Zenders waren vaak zelfbouwprojecten. Veel amateurs soldeerden hun eigen apparatuur, gebaseerd op schema's uit tijdschriften als Electron, het blad van de VERON, of internationale publicaties zoals het ARRL Handbook.

Wie zelf aan de slag wil, kan hier een simpele kortegolfantenne maken voor thuis. Een typische zender leverde tussen de 50 en 150 watt, afhankelijk van de gebruikte buizen — vaak klassiekers als de 6146 of de 807.

Antennen waren meestal eenvoudig: een dipool van draad, opgehangen tussen twee masten of bomen. Soms een draad-antenne van 80 meter langs het dak — tot ongenoegen van de buren, vrees ik.

Waarom waren deze banden zo belangrijk?

De kortegolfbanden van de jaren 60 waren meer dan technische frequenties. Ze verbonden mensen in een wereld die nog niet gedigitaliseerd was.

Tijdens de Koude Oorlog waren radioamateurs soms de enige brug tussen bevolkingen die officieel gescheiden waren. Ze vulden een behoefte die internet later zou vervellen — de drang om met de hele wereld in contact te komen, met eigen handen, eigen apparatuur, eigen kunde.

Wil je zelf op onderzoek uit? Ontdek hier hoe je Koude Oorlog-frequenties kunt nazoeken. Vandaag de dag zijn deze banden er nog steeds. De frequenties zijn nauwelijks veranderd. De technologie is anders — transistors en software hebben de buizen vervangen — maar het principe is hetzelfde.

En als je vandaag een oude ontvanger aansluit en afstemt op de 40-meterband, dan hoor je nog steeds dezelfde soort signalen die een amateur in 1965 ook hoorde.

Dat is best bijzonder, als je erover nadenkt. De kortegolfbanden uit de jaren 60 zijn dus niet zomaar geschiedenis. Ze zijn een levend erfgoed, nog steeds bruikbaar, nog steeds magisch. En wie weet — misschien zit er niemand in een oud Vliegveld Rijswijk ergens aan te denken over die dagen, terwijl de golven onverstoorbaar door de lucht reizen.

Veelgestelde vragen

Wat is kortegolf precies en waarom was het zo populair in de jaren '60?

Kortegolf is een deel van het radiospectrum tussen 2 en 30 MHz, waardoor signalen via de ionosfeer over grote afstanden kunnen reizen.

Welke band was het meest gebruikt voor nachtelijke communicatie in de jaren '60 en waarom?

In de jaren '60 was dit een revolutionaire manier om te communiceren, omdat het radioamateurs in staat stelde om met collega's in Europa en daarbuiten contact te leggen, zonder complexe apparatuur. De 80-meterband (3,5-3,8 MHz) was de meest populaire band voor nachtelijke communicatie. 's Nachts, toen de ionosfeer signalen versterkte, kon je met relatief weinig vermogen gesprekken voeren met collega's in Europa.

Wat maakte de 40-meterband zo belangrijk voor internationale communicatie?

Dit maakte het een ideale band voor QSO's. De 40-meterband (7,0-7,1 MHz) was de internationale ster vanwege de mogelijkheid om overdag continentale afstanden te bereiken en 's nachts de hele wereld te bereiken.

Hoe beperkte de bandbreedte van de 80-meterband de communicatie?

Dit maakte het een cruciale band voor radioamateurs die contact wilden leggen met collega's over de hele wereld, vooral tijdens de Koude Oorlog.

Hoe verschilt kortegolf van moderne radiotechnologie?

De 80-meterband had een beperkte breedte, waardoor het in drukke periodes lastig kon zijn om te zenden. Het vereiste zorgvuldige luisteren om te voorkomen dat je over een bestaande zender heen zende, maar juist deze beperking zorgde voor een hechte gemeenschap van radioamateurs die elkaar snel leerden kennen. Kortegolf was in de jaren '60 een baanbrekende technologie die signalen via de ionosfeer naar verre afstanden kon zenden. Moderne radiotechnologie, zoals internet en satellietcommunicatie, biedt snellere en meer betrouwbare communicatie, maar kortegolf biedt een unieke manier om met de aarde te communiceren zonder elektronische apparatuur.


Hendrik-Jan de Vries
Hendrik-Jan de Vries
Historicus van de militaire communicatie

Hendrik-Jan onderzoekt de rol van radioamateurs tijdens de Koude Oorlog in Nederland.

Meer over Kortegolf ontvangen geschiedenis

Bekijk alle 21 artikelen in deze categorie.

Naar categorie →
Lees volgende
*De brug naar nu — hoe mensen vandaag actief betrokken kunnen raken bij dit thema*
Lees verder →